|
2000
VSOP en NVOG
25
januari 2000
Elke
zwangere vraagt zich af of haar baby wel gezond zal zijn. Gelukkig worden de
meeste kinderen gezond geboren, maar een klein aantal kinderen, zo'n 4%, heeft
bij de geboorte een erfelijke aandoening of aangeboren afwijking. Soms kan al in
de zwangerschap onderzoek daarnaar plaatsvinden. Dit wordt prenatale diagnostiek
of prenataal onderzoek genoemd (prenataal betekent vóór de geboorte).
Prenataal onderzoek geeft alleen aan of een bepaalde aandoening bij uw baby
aanwezig is. Het onderzoek geeft geen antwoord op de vraag of uw kind verder
gezond is en of het geen andere aandoening heeft.
Vaak komen erfelijke en/of aangeboren aandoeningen in de familie pas ter sprake
tijdens een zwangerschap. Als iets dergelijks in uw familie speelt, is het
verstandig dit al vóór de zwangerschap met de huisarts te bespreken.
Aanvullend onderzoek is dan mogelijk voordat u zwanger wordt. De risico's voor
uw kind en de mogelijkheid van prenatale diagnostiek worden dan besproken.
Inhoud
1 Inleiding
1.1 Afwegingen en mogelijke keuzen
1.2 Het berekenen van de zwangerschapsduur
2 Wie komt in aanmerking voor prenatale diagnostiek?
2.1 Prenatale diagnostiek in verband met chromosoomafwijkingen
- Wat zijn chromosomen en chromosoomafwijkingen?
- Met welke zwangeren wordt prenatale diagnostiek in verband met een
chromosoomafwijking besproken?
- Hoe vaak komen chromosoomafwijkingen voor?
- Hoe kijkt u naar een bepaalde kans?
- Welke onderzoeken zijn mogelijk?
2.2 Prenatale diagnostiek bij defecten van de neurale buis
- Wat is een neurale-buisdefect?
- Wanneer is er een verhoogde kans op een neurale-buisdefect?
- Welk onderzoek is mogelijk?
2.3 Andere redenen voor prenatale diagnostiek
- Een eerder kind met een chromosoomafwijking
- Chromosoomafwijkingen bij de ouders
- DNA-afwijkingen
- Stofwisselingsstoornissen
- Een eerder kind met een aangeboren (niet-chromosomale) afwijking
2.4 Redenen tijdens de zwangerschap
3 Onderzoek
3.1 Vlokkentest (chorionbiopsie)
- Hoe gebeurt de vlokkentest?
- Wanneer komt de uitslag?
- Betrouwbaarheid van de vlokkentest
- Risico's van de vlokkentest
- Voor- en nadelen van de vlokkentest
3.2 Vruchtwaterpunctie (amniocentese)
- Wanneer komt de uitslag?
- Betrouwbaarheid van het vruchtwateronderzoek
- Risico's van de vruchtwaterpunctie
- Extra onderzoek
- Voor- en nadelen van vruchtwateronderzoek
3.3 Vlokkentest en vruchtwaterpunctie vergeleken
3.4 De rhesus-factor en anti-D
3.5 Onderzoek in verband met een neurale-buisdefect
- Echoscopisch onderzoek
- Vruchtwateronderzoek
- Bloedonderzoek
- Echoscopisch onderzoek en aanvullend een vruchtwaterpunctie
- Ook chromosoomonderzoek?
3.6 Uitgebreid echoscopisch onderzoek
- Betrouwbaarheid
3.7 Navelstrengpunctie
4 Testen die aangeven of er een verhoogde kans bestaat op het krijgen van een
kind met het Downsyndroom
4.1 De triple-test
- Wat is de triple-test?
- Wat betekent de uitslag?
- Hoe betrouwbaar is de test?
- Welke rol speelt leeftijd?
- Wanneer kunt u een triple-test overwegen?
- Wordt de triple-test met u besproken?
- Hoe zit het met de kosten?
4.2 Meting van de nekplooi
- Wat is de nekplooimeting?
- Wat betekent de uitslag?
- Hoe betrouwbaar is de test?
- Welke rol speelt de leeftijd?
- Wie komt er in aanmerking voor een nekplooimeting?
5 Overzichtsschema
De verschillende onderzoeken vergeleken
6 Afwijkende uitslagen
6.1 De onderzochte aandoening is aanwezig bij uw kind
- Begeleiding
- Afbreken van de zwangerschap
- Uitdragen van de zwangerschap
6.2 Onverwachte bevindingen
7 De gang van zaken in de praktijk
7.1 Verwijzing
7.2 Voorbereiding op het onderzoek
7.3 Afspraken over wat er bepaald wordt en welke uitslagen u wilt horen
7.4 Hoe hoort u de uitslag?
7.5 Kosten
8 Tot slot
9 Indicaties (redenen) voor prenatale diagnostiek die door de
zorgverzekeraars worden vergoed
9.1 Indicaties voor prenataal chromosoomonderzoek
9.2 Indicaties voor prenataal DNA-onderzoek
9.3 Indicaties voor prenataal onderzoek naar een stofwisselingsziekte
9.4 Indicaties voor onderzoek naar een neurale-buisdefect (een open rug of open
schedel)
9.5 Indicaties voor uitgebreid echoscopisch onderzoek
10 Adressen
10.1 De VSOP
10.2 Centra voor prenatale diagnostiek
10.3 Hulp en advies
11 Om verder te lezen
1
Inleiding
Elke zwangere vraagt zich af of haar baby wel gezond zal zijn. Gelukkig worden
de meeste kinderen gezond geboren, maar een klein aantal kinderen, zo'n 4%,
heeft bij de geboorte een erfelijke aandoening of aangeboren afwijking. Soms kan
al in de zwangerschap onderzoek daarnaar plaatsvinden. Dit wordt prenatale
diagnostiek of prenataal onderzoek genoemd (prenataal betekent vóór de
geboorte). Prenataal onderzoek geeft alleen aan of een bepaalde aandoening bij
uw baby aanwezig is. Het onderzoek geeft geen antwoord op de vraag of uw kind
verder gezond is en of het geen andere aandoening heeft.
Vaak komen erfelijke en/of aangeboren aandoeningen in de familie pas ter sprake
tijdens een zwangerschap. Als iets dergelijks in uw familie speelt, is het
verstandig dit al vóór de zwangerschap met de huisarts te bespreken.
Aanvullend onderzoek is dan mogelijk voordat u zwanger wordt. De risico's voor
uw kind en de mogelijkheid van prenatale diagnostiek worden dan besproken.
1.1 afwegingen en mogelijke keuzen
Alleen als iemand een verhoogde kans heeft op een kind met een aangeboren of
erfelijke aandoening, komt prenatale diagnostiek ter sprake. De aandoening moet
ook door middel van onderzoek tijdens de zwangerschap aan te tonen zijn. De
verloskundige, de huisarts of de gynaecoloog bespreekt met u de mogelijkheden,
maar u bent degene die uiteindelijk beslist of u gebruik wilt maken van het
onderzoek.
Bij die beslissing spelen verschillende overwegingen een rol. We noemen ze hier
kort. Verderop in deze brochure komen ze meer uitgebreid ter sprake. Het gaat om
afwegingen die te maken hebben met:
Het onderzoek
Afhankelijk van de soort aandoening zijn soms verschillende onderzoeken
mogelijk; elk onderzoek heeft voor- en nadelen.
Complicaties
Sommige vormen van prenataal onderzoek brengen een kans op een miskraam met zich
mee.
Onverwachte uitkomsten
Onderzoek naar bijvoorbeeld het Downsyndroom kan aantonen dat er geen sprake is
van deze aandoening, maar de uitslag kan toch op een andere manier afwijkend
zijn. Wat zo'n uitslag betekent, is niet altijd duidelijk.
De aandoening
Als tijdens de zwangerschap een bepaalde aandoening wordt gevonden, is niet
altijd vast te stellen hoe ernstig deze is. De gevolgen voor het kind zijn soms
moeilijk te voorspellen.
De beslissing om de zwangerschap al dan niet te laten afbreken
Bij een afwijkende uitslag staat u voor de beslissing om de zwangerschap uit te
dragen of te laten afbreken. Meestal zijn er geen mogelijkheden om erfelijke of
aangeboren aandoeningen bij uw kind te genezen.
De beslissing om al dan niet prenataal onderzoek te laten doen, is niet altijd
even gemakkelijk. Dat geldt ook voor het besluit waar u voor komt te staan als
een aandoening wordt vastgesteld, namelijk de keuze tussen een abortus of de
zwangerschap uitdragen. Hulpverleners gaan er meestal van uit dat u bij een
ongunstige uitslag zult overwegen de zwangerschap te laten afbreken, maar de
uiteindelijke beslissing ligt bij de ouders. Geen enkele beslissing is goed of
fout.
Het is belangrijk beslissingen zorgvuldig te nemen en tijd te nemen om erover na
te denken. De persoonlijke levensopvattingen en de levenssituatie spelen hierbij
een grote rol. Het ene ouderpaar zal gemakkelijker een kind met een aandoening
opvoeden dan het andere. De een zal bij het afbreken van een gewenste
zwangerschap niet alleen verdriet maar ook opluchting voelen; voor iemand anders
kan het nemen van zo'n beslissing haast ondoenlijk zijn.
Deze brochure probeert zoveel mogelijk informatie te geven, zodat u zo goed
mogelijk geïnformeerd een beslissing kunt nemen die het beste bij u past.
1.2 het berekenen van de zwangerschapsduur
Bij regelmatige menstruaties om de vier weken vindt de bevruchting meestal twee
weken na het begin van de menstruatie plaats. Artsen en verloskundigen berekenen
de zwangerschapsduur vanaf de eerste dag van de laatste menstruatie. Zij gaan
uit van de periode dat een vrouw niet meer menstrueert. Ook in deze brochure
bedoelen we met de zwangerschapsduur de periode vanaf de eerste dag van de
laatste menstruatie. Deze is dus twee weken langer dan de werkelijke
zwangerschapsduur, gerekend vanaf de bevruchting.
Bij een menstruatiecyclus die veel korter of langer is dan 28 dagen, wordt de
berekende zwangerschapsduur aangepast.
Als u onregelmatig menstrueerde of zeer snel na het stoppen van de pil zwanger
bent geworden, is echoscopisch onderzoek aan te raden. Dit onderzoek bepaalt
vrij precies de zwangerschapsduur. Meer informatie vindt u in de folder
Echoscopisch onderzoek tijdens de zwangerschap die u via de huisarts,
verloskundige of gynaecoloog kunt krijgen.
2
Wie komt in aanmerking voor prenatale diagnostiek?
Prenatale diagnostiek kan plaatsvinden om de volgende redenen:
- Er bestaat een verhoogde kans op een chromosoomafwijking van het kind. Deze
kans is hoger naarmate de moeder ouder is. Ook zijn er een aantal testen in de
zwangerschap die een verhoogde kans op een kind met het Downsyndroom kunnen
aangeven. Voorbeelden zijn echoscopische meting van de nekplooi van de vrucht in
de derde maand en een bloedtest in de vierde maand.
- Er bestaat een verhoogde kans op een neurale-buisdefect zoals een open rug van
de baby. Deze kans is bijvoorbeeld verhoogd als zo'n aandoening in de nabije
familie voorkomt.
- Er bestaat een verhoogde kans op erfelijke aandoeningen of aangeboren
afwijkingen. Deze kans kan verhoogd zijn omdat er eerder al een kind met een
aangeboren afwijking is geboren, of omdat er bepaalde erfelijke ziekten in de
familie voorkomen. Soms wordt tijdens de zwangerschap aan een aangeboren
afwijking gedacht, bijvoorbeeld omdat er extreem veel vruchtwater aanwezig is.
2.1 Prenatale diagnostiek in verband met chromosoomafwijkingen
Wat zijn chromosomen en chromosoomafwijkingen?
Chromosomen zijn dragers van erfelijke informatie. Ze bevinden zich in de
celkernen. Normaal zijn er in iedere celkern 46 chromosomen. De helft is
afkomstig uit de zaadcel van de vader, de andere helft uit de eicel van de
moeder. Bij een chromosoomafwijking is er iets misgegaan bij de rijping van een
eicel of de vorming van een zaadcel. Na de samensmelting van eicel en zaadcel
kan de vorm of het aantal chromosomen afwijkend zijn. Zo kunnen 47 chromosomen
aanwezig zijn in de celkern van de bevruchte eicel. Het meest bekende, en ook
het meest voorkomende extra chromosoom is de oorzaak van het Downsyndroom
(vroeger mongolisme genoemd). Hierbij zijn er drie in plaats van twee
chromosomen nummer 21. De medische term hiervoor is "trisomie 21".
Voorbeelden van andere afwijkende aantallen chromosomen die minder vaak
voorkomen, zijn "trisomie 13" en "trisomie 18". Zij
veroorzaken over het algemeen zeer ernstige aangeboren afwijkingen. De meeste
kinderen met een trisomie 13 of 18 overlijden kort na de geboorte.
Met welke zwangeren wordt prenatale diagnostiek in verband met een
chromosoomafwijking besproken?
Vrouwen van 36 jaar of ouder in de 18e zwangerschapsweek
Bij het stijgen van de leeftijd van de moeder neemt de kans op een kind met een
chromosoomafwijking toe. Onderzoek hiernaar door middel van een vlokkentest of
vruchtwaterpunctie wordt in Nederland alleen gedaan en vergoed als u in de
achttiende zwangerschapsweek 36 jaar of ouder bent. Omdat de meeste onderzoeken
tussen de elfde en zestiende week plaatsvinden, worden ze in een enkel geval
gedaan bij vrouwen die nog 35 jaar zijn en enkele weken later 36 zullen worden.
Testen in de zwangerschap laten een verhoogde kans zien
In hoofdstuk 4 beschrijven we twee testen die kunnen aangeven of er sprake is
van een normale of een verhoogde kans op een kind met het Downsyndroom. Mogelijk
worden de komende jaren nieuwe testen ontwikkeld.
In Nederland bestaat er discussie of het gewenst is deze testen aan alle
zwangeren aan te bieden. Daarvoor is een vergunning nodig van de Wet op het
Bevolkingsonderzoek (WBO). Verloskundige hulpverleners hebben deze vergunning
niet gekregen. Maar u kunt de verloskundige, huisarts of gynaecoloog wel vragen
om nadere informatie over deze testen. Zoals in hoofdstuk 4 wordt uitgelegd,
bieden deze testen soms uitkomst aan vrouwen die vanwege hun leeftijd een
vlokkentest of een vruchtwaterpunctie overwegen, maar die daar erg tegenop zien
vanwege de kans op een miskraam.
Als de testen een verhoogde kans aangeven, wordt prenatale diagnostiek door de
zorgverzekeraar vergoed.
Andere situaties
Er zijn nog een paar andere situaties waarin er sprake is van een verhoogde kans
op een kind met een chromosoomafwijking. Deze worden in de paragrafen 2.3 en 2.4
beschreven.
Hoe vaak komen chromosoomafwijkingen voor?
Afwijkingen in het aantal chromosomen komen veel voor. Bij de bevruchting van de
eicel door de zaadcel gaat er vaak iets mis. Meestal groeit de bevruchte eicel
dan niet verder. Dikwijls is niet eens te merken dat een bevruchting heeft
plaatsgevonden: de menstruatie komt gewoon op tijd. In andere gevallen leidt een
afwijkend aantal chromosomen tot een kortdurende zwangerschap die eindigt in een
miskraam. Ook kan de vrucht later in de zwangerschap overlijden. Soms blijft de
zwangerschap bestaan en wordt een voldragen kind geboren met een
chromosoomafwijking, zoals het Downsyndroom.
We weten niet precies bij hoeveel zwangerschappen chromosoomafwijkingen
voorkomen. Wel weten we dat chromosoomafwijkingen vroeg in de zwangerschap veel
vaker worden gezien dan later in de zwangerschap of bij de geboorte; dit komt
doordat een groot aantal van deze zwangerschappen voortijdig eindigt in een
miskraam of een vruchtdood.
In de tabel hieronder wordt de kans weergegeven op een levend geboren kind met
het Downsyndroom (trisomie 21) bij verschillende leeftijden van de moeder.
Daarnaast bestaat er voor elke zwangere nog de kans op een kind met een andere
chromosoomafwijking. Ook deze kans neemt toe met de leeftijd, en is ongeveer
even groot als de kans op het Downsyndroom. De ernst van deze
chromosoomafwijkingen is sterk wisselend.
|
Kans
op het krijgen van een kind met het Downsyndroom bij verschillende
leeftijd van de moeder
|
leeftijd
van de moeder
|
kans
op het Downsyndroom
|
|
20
jaar
|
1
: 1528
|
|
25
jaar
|
1
: 1351
|
|
30
jaar
|
1
: 909
|
|
35
jaar
|
1
: 384
|
|
40
jaar
|
1
: 112
|
|
45
jaar
|
1
: 28
|
|
Naar
Cuckle et al. Br J Obstet Gynaecol 1987; 94, 387
|
Hoe
kijkt u naar een bepaalde kans?
Kansberekeningen zijn voor zwangeren en hun partners vaak moeilijk te bevatten.
We beschrijven twee manieren om naar kansen te kijken.
Als voorbeeld nemen we een zwangere van 40 jaar. Zij heeft ongeveer 1% kans op
een kind met het Downsyndroom (zie tabel). Daarnaast is er een kans van ongeveer
1% op een andere chromosoomafwijking. Dat betekent dat van de 100 vrouwen van 40
jaar er 98 een kind krijgen zonder chromosoomafwijking. Een van hen is zwanger
van een kind met het Downsyndroom, een tweede is zwanger van een kind met een
andere chromosoomafwijking. Als u zo naar de kans kijkt, lijkt deze misschien
klein.
Als we een vrouw van 40 jaar vergelijken met een vrouw van 20 jaar, zijn de
kansen op een kind met het Downsyndroom respectievelijk ongeveer 1 op 100 en 1
op 1500. Dat betekent een vijftien maal hogere kans voor een vrouw van 40 jaar.
Op deze wijze bezien, lijkt de kans mogelijk groot.
Beide manieren om een kans te beoordelen vullen elkaar aan. De werkelijke kans
geeft betere informatie dan de vergelijking met kansen op andere leeftijden.
De werkelijke kans is ook van belang voor vrouwen die eerder gezonde kinderen
hebben gekregen. Zo heeft een vrouw van 40 jaar met twee kinderen zonder
chromosoomafwijkingen evenveel kans op een kind met het Downsyndroom als haar
leeftijdgenote die voor het eerst zwanger is.
Welke onderzoeken zijn mogelijk?
Onderzoeken die vrijwel zeker kunnen zeggen of de baby een
chromosoomafwijking heeft
De vlokkentest en de vruchtwaterpunctie geven vrijwel altijd zekerheid over de
vraag of het kind al dan niet een chromosoomafwijking heeft. Beide onderzoeken
hebben een kleine kans op een miskraam als gevolg van de ingreep. Bij een
vlokkentest is deze kans iets hoger dan bij een vruchtwaterpunctie.
Onderzoeken die de kans weergeven op een chromosoomafwijking bij het kind
Twee testen die een indruk geven over de kans op een kind met een
chromosoomafwijking worden in hoofdstuk 4 besproken.
2.2
prenatale diagnostiek bij defecten van de neurale buis
Wat is een neurale-buisdefect
De neurale buis is een structuur in het embryo (de vrucht). Al vroeg in de
zwangerschap worden hieruit het ruggenmerg en de hersenen gevormd. Bij een
defect van de neurale buis is de wervelkolom of het schedeldak niet goed
aangelegd. Zo ontstaat een open rug (spina bifida) of een open schedel
(anencefalie). Deze aandoeningen worden ook wel sluitingsdefecten van de neurale
buis genoemd. Bij een open rug is een aantal wervels niet gesloten; een deel van
het ruggenmerg wordt dan niet afgeschermd. Kinderen met een open rug zijn
meestal lichamelijk en soms ook verstandelijk gehandicapt. Kinderen met een open
schedel overlijden vrijwel altijd bij of snel na de geboorte.
De oorzaak van deze afwijkingen is onbekend. Soms is er sprake van een
combinatie van erfelijke factoren met andere factoren, zoals extreem eenzijdige
voeding of het gebruik van bepaalde medicijnen tijdens de zwangerschap. Meestal
is geen oorzaak aan te wijzen.
Extra foliumzuur in de periode rond de bevruchting vermindert de kans op een
neurale-buisdefect bij het kind, maar kan deze aandoening niet altijd voorkomen.
Het advies aan vrouwen die zwanger willen worden is om dagelijks een tablet van
0,5 mg foliumzuur te gebruiken. Deze zijn zonder recept bij de apotheek of
drogist te verkrijgen. Vrouwen die in verwachting zijn geweest van een kind met
een neurale-buisdefect wordt aangeraden voorafgaand aan een volgende
zwangerschap een hogere dosis foliumzuur te gebruiken. De arts geeft hier
informatie over.
Wanneer is er een verhoogde kans op een neurale-buisdefect?
- Een eerder kind met een neurale-buisdefect. De herhalingskans in een volgende
zwangerschap is ongeveer 2%.
- Een neurale-buisdefect bij u of uw partner. Als een van u beiden een vorm van
een open rug heeft, is de kans voor uw kind op een sluitingsdefect ongeveer 2%.
- Neurale-buisdefecten in de familie. Bij een neurale-buisdefect bij een broer,
zuster of ouder van een van u beiden bestaat er ongeveer 0,5-1% kans op deze
aandoening voor uw kind. Als een open rug of schedel voorkomt of is voorgekomen
bij overige familieleden (grootouders, tantes en ooms, neven en nichten),
bestaat er geen verhoogde kans, behalve als de aandoening bij meerdere
familieleden voorkomt.
- Medicijnen. Bepaalde geneesmiddelen die tijdens de zwangerschap gebruikt
worden, brengen een verhoogde kans op een neurale-buisdefect met zich mee.
Voorbeelden zijn geneesmiddelen die bij vallende ziekte (epilepsie) gebruikt
worden zoals valproaat en carbamapezine.
- Suikerziekte. Vrouwen met suikerziekte (diabetes) hebben een verhoogde kans op
een kind met een neurale-buisdefect of andere aangeboren afwijkingen, vooral als
er sprake is van hoge bloedsuikers in het begin van de zwangerschap.
Let op: De kans op het krijgen van een kind met een sluitingsdefect is bij een
leeftijd van 36 jaar of ouder niet verhoogd.
Welk onderzoek is mogelijk?
Onderzoek naar een open rug of open schedel vindt plaats door middel van
echoscopie. Soms wordt vruchtwateronderzoek gedaan. Een vlokkentest kan deze
aandoeningen niet aantonen.
2.3 andere redenen voor prenatale diagnostiek
Als uw voorgeschiedenis er aanleiding toe geeft, kan prenatale diagnostiek
worden besproken. Voorbeelden zijn:
- een eerder kind met een aangeboren aandoening
- een aandoening die in de familie voorkomt en die mogelijk erfelijk is
De klinisch-geneticus (arts die gespecialiseerd is in erfelijke en aangeboren
aandoeningen) bespreekt de mogelijkheid van prenatale diagnostiek dan al eerder,
voordat er sprake is van een (nieuwe) zwangerschap. Een aantal aanleidingen
wordt hieronder beschreven. Een verhoogde kans op een kind met een
neurale-buisdefect kwam al in paragraaf 2.2 aan de orde.
Soms komt een aandoening in de familie pas ter sprake tijdens de zwangerschap.
Ook dan is verwijzing vroeg in de zwangerschap nog mogelijk. Wel is er dan vaak
grote tijdsdruk. Uitvoerig aanvullend onderzoek is dan niet altijd meer
mogelijk.
Een eerder kind met een chromosoomafwijking
De meeste chromosoomafwijkingen bij kinderen ontstaan nieuw. Erfelijke
factoren spelen bij het ontstaan geen rol en chromosoomonderzoek van een of
beide ouders is niet nodig. Een voorbeeld is een kind met een trisomie 21
(Downsyndroom). De kans dat een volgend kind weer een chromosoomafwijking heeft,
is net iets hoger dan normaal: 1-2%. De mogelijkheid van prenatale diagnostiek
wordt daarom besproken. Bij de meerderheid van kinderen of volwassenen met het
Downsyndroom gaat het om deze niet-erfelijke chromosoomafwijking met zeer kleine
kans op herhaling.
Bij ongeveer 1% van de mensen met het Downsyndroom spelen erfelijke factoren wel
een rol. Als die erfelijke vorm van het Downsyndroom in een familie voorkomt, is
de kans op een kind met het Downsyndroom sterk verhoogd. Het is daarom raadzaam
bij alle kinderen en volwassenen met het Downsyndroom chromosoomonderzoek te
doen om deze erfelijke vorm uit te sluiten.
Chromosoomafwijkingen bij de ouders
Soms is een chromosoomafwijking bij een van de (gezonde) ouders de oorzaak voor
een chromosoomafwijking bij het kind. Dit roept altijd meteen vragen op: hoe kan
een gezonde ouder nu een chromosoomafwijking hebben? Het antwoord is dat
normale, gezonde mensen drager kunnen zijn van een chromosoomafwijking in een
gebalanceerde vorm. Een voorbeeld is een afwijking waarbij twee onderdelen
van twee chromosomen van plaats veranderd zijn. Dit heet translocatie. Bij de
betrokken ouder zijn er geen verschijnselen. Wel heeft deze ouder een verhoogde
kans op het krijgen van een kind met een ongebalanceerde chromosoomafwijking.
Levend geboren kinderen met zo'n ongebalanceerde chromosoomafwijking hebben
bijna altijd ernstige aangeboren afwijkingen en zijn ook vaak verstandelijk
gehandicapt. Soms zijn de lichamelijke afwijkingen zo ernstig dat de
zwangerschap eindigt in een miskraam of vruchtdood.
Daarom wordt bij paren die tweemaal of vaker een miskraam hebben meegemaakt,
chromosoomonderzoek van beide partners geadviseerd. Bij zo'n 3% van deze paren
wordt een gebalanceerde chromosoomafwijking bij een van de ouders gevonden.
Hoewel dit geen grote kans is, kan deze 3% wel te maken krijgen met grote
risico's in een volgende zwangerschap. Voor hen bestaat er een sterk verhoogde
kans op een volgende miskraam. Als ze een kind krijgen dat leeft bij de
geboorte, is de kans verhoogd dat dit kind een ernstige handicap heeft als
gevolg van een ongebalanceerde chromosoomafwijking. Prenatale diagnostiek is dan
dus van groot belang. De resterende 97% van de paren heeft geen verhoogde kans
op een kind met een chromosoomafwijking.
DNA-afwijkingen
Sommige aangeboren of erfelijke aandoeningen, zoals bepaalde spierziekten,
worden veroorzaakt door één enkele afwijking in het DNA. DNA is de chemische
stof waaruit chromosomen zijn opgebouwd. Als bij een eerder geboren kind een
DNA-afwijking is vastgesteld, is het bijna altijd mogelijk tijdens een volgende
zwangerschap DNA-onderzoek te doen. Vaak is de herhalingskans bij dit soort
aandoeningen hoog: 25 of 50%. Als in een bepaalde familie dergelijke ziekten of
aandoeningen voorkomen, kan al voor de zwangerschap familieonderzoek
plaatsvinden. DNA-onderzoek tijdens de zwangerschap komt dan ter sprake. Dit
onderzoek wijst alleen uit of de DNA-afwijking aanwezig is; het onderzoek geeft
geen informatie over andere aangeboren of erfelijke aandoeningen. De meeste
ouders kiezen in deze situatie voor een vlokkentest.
Stofwisselingsstoornissen
Enkele aangeboren of erfelijke aandoeningen bij een eerder kind worden door een
stofwisselingsstoornis veroorzaakt. Bijna altijd is de herhalingskans voor dit
soort aandoeningen 25%. In een volgende zwangerschap kan vaak
stofwisselingsonderzoek (biochemische diagnostiek) plaatsvinden. Als in een
bepaalde familie dergelijke stoornissen voorkomen, kan familieonderzoek
plaatsvinden. Biochemische diagnostiek tijdens de zwangerschap komt dan ter
sprake. Bij dit onderzoek kan gezien worden of de stofwisselingsstoornis
aanwezig is. Het onderzoek geeft geen informatie over andere aangeboren of
erfelijke aandoeningen. De meeste ouders kiezen in deze situatie voor een
vlokkentest.
Een eerder kind met een aangeboren (niet-chromosomale) afwijking
Soms is de oorzaak van een aangeboren of erfelijke aandoening bij een eerder
kind niet gelegen in afwijkende chromosomen, DNA-afwijkingen of een verstoorde
stofwisseling. Toch kan er in een volgende zwangerschap sprake zijn van een
verhoogde kans op een kind met een aangeboren of erfelijke aandoening. Een
voorbeeld is een aangeboren hartafwijking. Artsen kunnen u informeren over de
herhalingskans in een volgende zwangerschap. Vaak is dan uitgebreid echoscopisch
onderzoek mogelijk. Dit wordt beschreven in hoofdstuk 3.
2.4 redenen tijdens de zwangerschap
Soms blijkt er tijdens de zwangerschap een reden te zijn om chromosoomonderzoek
te doen, bijvoorbeeld extreem veel of extreem weinig vruchtwater. Een kind dat
heel erg klein is voor de duur van de zwangerschap, zonder dat er aanwijzingen
zijn voor een slecht functionerende moederkoek is een andere reden. Ook als bij
een gewoon echoscopisch onderzoek een afwijking wordt vermoed of
aangetoond, kan prenataal chromosoomonderzoek ter sprake komen.
3
Onderzoek
In dit hoofdstuk beschrijven we eerst de verschillende onderzoeken om
chromosoomafwijkingen aan te tonen, zoals een vlokkentest en een
vruchtwaterpunctie. Later krijgt het onderzoek in verband met een open rug en
andere aangeboren aandoeningen aandacht.
3.1 vlokkentest (chorionbiopsie)
Bij de vlokkentest neemt de gynaecoloog enkele chorionvlokken weg voor onderzoek
naar een eventuele chromosoomafwijking. Chorionweefsel vormt de placenta
(moederkoek) en ziet er vlokkig uit, vandaar de naam vlokkentest. Meestal
gaat het om 20-50 milligram weefsel, een duizendste deel van de totale
hoeveelheid placentaweefsel. De vruchtzak met de foetus (vrucht) wordt niet
beschadigd.
Hoe gebeurt de vlokkentest?
De vlokkentest vindt plaats via de schede (vaginaal) of via de buikwand
(abdominaal). In sommige ziekenhuizen wordt alleen de ene methode gebruikt, in
andere ziekenhuizen worden beide methoden toegepast.
Via de buikwand wordt met behulp van de echo gecontroleerd waar de placenta
ligt. Voor een vaginale vlokkentest is het vrijwel altijd nodig een volle blaas
te hebben; bij een abdominale test meestal niet.
A Vlokkentest via de vagina

Tijdstip
De vlokkentest via de vagina wordt na de tiende zwangerschapsweek uitgevoerd,
doorgaans bij een zwangerschapsduur van ongeveer 11 weken.
Voorzorgen
In sommige ziekenhuizen wordt het advies gegeven enkele dagen voor de vaginale
vlokkentest geen gemeenschap (samenleving) te hebben. U krijgt hier informatie
over als u de afspraak voor de test maakt.
De ingreep
U ligt op een gynaecologische onderzoekstoel met uw benen in steunen. Nadat een
speculum (eendenbek) in de schede is gebracht wordt de schede ontsmet met jodium
(of een ander middel als u overgevoelig bent voor jodium). Soms wordt de
baarmoedermond met een tangetje vastgepakt. Dit kan wat pijnlijk zijn. De arts
brengt via de baarmoedermond langs de binnenwand van de baarmoeder een dun
tangetje of buisje in tot in de placenta. Tegelijkertijd wordt met de echo
gekeken. Het kost vaak wat tijd voordat de placenta wordt bereikt. Onderzoek van
het weggenomen weefsel onder de microscoop vindt direct plaats om te zien of de
hoeveelheid voldoende is voor chromosoomonderzoek. Als er te weinig vlokken
zijn, wordt een tweede en zo nodig een derde weefselstukje weggenomen. Soms is
er dan nog steeds onvoldoende weefsel. De ingreep wordt dan gestopt en er wordt
een abdominale vlokkentest of een vruchtwaterpunctie op een later tijdstip
voorgesteld. De ingreep duurt gemiddeld tien tot vijftien minuten.
Wat voelt u?
De meeste vrouwen hebben tijdens de ingreep een menstruatie-achtig of
onaangenaam wee gevoel. Dit gaat snel weer over.
Na afloop
Na de ingreep hebben vrijwel alle vrouwen bloedverlies. Een enkele maal wordt
kort na de ingreep een bloedstolsel verloren. Het bloedverlies komt bijna altijd
van de baarmoedermond, die gemakkelijk bloedt bij aanraken tijdens de
zwangerschap. Bloedverlies is dan ook geen reden tot bezorgdheid. Meestal gaat
het binnen 12-24 uur over in roze of bruinige afscheiding. Vaak blijft deze
afscheiding enkele dagen bestaan, soms drie tot vier weken. Dit kan geen kwaad.
Bijna elke zwangere gaat direct na de ingreep weer naar huis. Het is verstandig
geen gemeenschap (samenleving) te hebben zolang er bloedverlies is. Verdere
voorzorgen zijn niet nodig. Neem contact op met de verloskundige, de arts of het
ziekenhuis als het bloedverlies toeneemt, vooral als er ook buikkrampen
optreden. Ook bij ziekte of koorts de eerste dagen na de ingreep is het
verstandig u te laten onderzoeken om een infectie uit te sluiten.
B Vlokkentest via de buikwand

Tijdstip
Dit onderzoek gebeurt meestal bij een zwangerschapsduur van ongeveer 12 weken.
De ingreep
De buikhuid wordt ontsmet met jodium (of een ander middel als u overgevoelig
bent voor jodium). Echoscopisch wordt de juiste plaats bepaald voor het
inbrengen van de naald via de onderbuik. Soms wordt de huid plaatselijk
verdoofd. De punt van de naald komt in de placenta te liggen en er wordt wat
placentaweefsel opgezogen. Het is noodzakelijk dat de naald hierbij wat beweegt.
Het prikken en opzuigen duurt meestal niet langer dan één minuut. Het
weggenomen weefsel wordt direct onder de microscoop onderzocht om te zien of de
hoeveelheid voldoende is voor chromosoomonderzoek. Als er te weinig vlokken zijn
volgt een tweede en zo nodig een derde prik.
Wat voelt u?
Met name het bewegen van de naald bij het opzuigen van het placentaweefsel kan
een wee en soms pijnlijk gevoel geven.
Na afloop
Na de ingreep verlaat u het ziekenhuis weer snel. Bloedverlies hoort na deze
vlokkentest niet op te treden. Een paar dagen wat last van buikpijn is niet
ongewoon.
Wanneer komt de uitslag?
De uitslag van een vaginale of een abdominale vlokkentest is meestal binnen twee
weken bekend.
Betrouwbaarheid van de vlokkentest
Een enkele keer kan geen uitslag van een vlokkentest worden gegeven, omdat er
toch te weinig weefsel is afgenomen. Dan wordt alsnog een vruchtwaterpunctie
voorgesteld.
De betrouwbaarheid van het chromosoomonderzoek bij de vlokkentest is iets minder
groot dan die bij de vruchtwaterpunctie. Dat komt doordat in 1-2% van de
zwangerschappen een chromosoomafwijking wordt ontdekt die mogelijk alleen in de
placenta aanwezig is. Dan wordt alsnog een vruchtwaterpunctie besproken.
Risico's van de vlokkentest
Het risico van een miskraam als gevolg van een vlokkentest is 0,5%. Daarnaast
heeft elke vrouw die 11 weken zwanger is, ongeveer 2% kans op een miskraam voor
de 16e zwangerschapsweek. Deze kans is er ook als er geen vlokkentest wordt
verricht.
In het verleden zijn aangeboren afwijkingen van de ledematen en het gelaat
beschreven na vlokkentesten die voor de tiende zwangerschapsweek werden
uitgevoerd. Daarom wordt de vlokkentest tegenwoordig pas na de tiende week
gedaan. Aangetoond is dat er dan geen verhoogde kans op deze aangeboren
afwijkingen bestaat.
Bij bloedverlies in de zwangerschap wordt een vlokkentest meestal afgeraden. De
kans op een miskraam als gevolg van de ingreep kan dan wat groter zijn.
Voor- en nadelen van de vlokkentest
Een voordeel van de vlokkentest is dat de ingreep vroeg in de zwangerschap
plaatsvindt en dat de uitslag relatief snel bekend is: meestal binnen twee
weken. Als u besluit de zwangerschap af te breken, is deze voor de omgeving
meestal nog niet zichtbaar. Vragen en opmerkingen kunnen u bespaard blijven. De
keerzijde is dat het moeilijk kan zijn om ondersteuning te krijgen of emoties te
delen met anderen buiten de relatie: niemand weet hoe u zich voelt.
Een nadeel van de vlokkentest is dat soms chromosoomafwijkingen worden gevonden
in een zwangerschap die enkele weken later toch in een spontane miskraam zou
zijn geëindigd, vóór het tijdstip van een eventuele vruchtwaterpunctie. De
miskraam bespaart ouders in dat geval de moeilijke keuze over het al of niet
afbreken van de zwangerschap. Daar staat tegenover dat de oorzaak van de
miskraam soms onduidelijk blijft als geen vlokkentest is gedaan. Ook weet u bij
een miskraam niet of er een chromosoomafwijking aanwezig was met een kans op
herhaling in een volgende zwangerschap.
3.2 vruchtwaterpunctie (amniocentese)
Bij een vruchtwaterpunctie wordt via een naald vruchtwater uit de baarmoeder
afgenomen. Cellen uit het vruchtwater worden onderzocht op een eventuele
chromosoomafwijking.

Vruchtwaterpunctie
Tijdstip
Vruchtwateronderzoek vindt gewoonlijk plaats bij een zwangerschapsduur van
ongeveer 16 weken.
De ingreep
De buikhuid wordt ontsmet met jodium (of een ander middel als u overgevoelig
bent voor jodium). Echoscopisch wordt de juiste plaats bepaald voor het
inbrengen van de naald via de onderbuik. Plaatselijke verdoving van de buikwand
wordt veelal niet gegeven, omdat dit even pijnlijk is als het inbrengen van de
naald waarmee vruchtwater wordt opgezogen. U hoeft geen volle blaas te hebben.
De hoeveelheid vruchtwater die wordt afgenomen (15-20 milliliter) is ongeveer
10-15% van de totale hoeveelheid vruchtwater. Het vruchtwater wordt snel weer
aangemaakt.
Wat voelt u?
De prik is even pijnlijk, maar als de naald ver genoeg is ingebracht, is de pijn
over. Het opzuigen van het vruchtwater duurt meestal niet meer dan een halve
minuut. Soms lukt het niet om voldoende vruchtwater af te nemen. Er kan dan op
een ander plaats geprikt worden. In andere gevallen wordt het onderzoek na
bijvoorbeeld een week herhaald.
Na afloop
Na de punctie is er soms een paar dagen een wat trekkend of menstruatie-achtig
gevoel. Ook kan de plaats waar geprikt is nog pijn doen. In dat geval is het
verstandig wat rust te nemen. De klachten zijn meestal na 1-2 dagen verdwenen.
Wanneer komt de uitslag?
De uit het vruchtwater afkomstige cellen worden gekweekt, zodat zij zich
vermeerderen. De kweekperiode die nodig is, wisselt per persoon. Meestal is de
uitslag na ongeveer drie weken beschikbaar.
Betrouwbaarheid
Als voldoende vruchtwater wordt afgenomen, kan vrijwel altijd een betrouwbare
uitslag van het chromosoomonderzoek worden gegeven. Slechts in sporadische
gevallen kunnen de chromosomen niet onderzocht worden. Dat is meestal na 10-14
dagen duidelijk. De arts bespreekt dan een herhaling van de vruchtwaterpunctie
met u.
Risico's van de vruchtwaterpunctie
Het risico van een late miskraam als gevolg van een vruchtwaterpunctie is 0,3%.
Dit risico is iets kleiner dan dat van een vlokkentest.
Extra onderzoek
Bij vruchtwateronderzoek kan ook gekeken worden naar het eiwit alfafoetoproteïne
(AFP). Een te grote hoeveelheid van dit eiwit kan wijzen op een aangeboren
afwijking zoals een open rug. Deze bepaling gebeurt soms routinematig, zonder
dat om toestemming wordt gevraagd. Mocht u hier bezwaar tegen hebben, dan is het
verstandig dit kenbaar te maken.
Voor- en nadelen van vruchtwateronderzoek
De vruchtwaterpunctie is iets betrouwbaarder dan de vlokkentest en geeft een
iets kleinere kans op een miskraam.
Een nadeel is dat het onderzoek laat in de zwangerschap plaatsvindt. Bovendien
duurt de uitslag langer dan die van een vlokkentest. Voor de omgeving is de
zwangerschap vaak al zichtbaar. Bij een eventuele zwangerschapsafbreking zijn
vragen dan ook vaak onvermijdelijk. Ook voelen sommige vrouwen al leven. Een
zwangerschapsafbreking kan slechts gebeuren door het opwekken van de bevalling.
Daar staat tegenover dat een voortijdig opgewekte bevalling ook de mogelijkheid
biedt om afscheid van het kind te nemen. Betrokkenheid van de omgeving kan
daarbij ook ondersteuning bieden.
3.3 Vlokkentest en vruchtwaterpunctie vergeleken
Omdat de vlokkentest eerder in de zwangerschap wordt uitgevoerd en de uitslag
sneller bekend is, kan bij een ongunstige uitslag de zwangerschap vaak worden
afgebroken door middel van een vacuüm-curettage. Dit is een ingreep waarbij de
baarmoeder met een dun slangetje wordt leeggezogen. Na een vruchtwaterpunctie
kan het afbreken van de zwangerschap alleen maar plaatsvinden door het opwekken
van een voortijdige bevalling.
In beide gevallen gaat het om het afbreken van een gewenste zwangerschap. Dat
brengt vaak grote emoties met zich mee. Emotioneel lijkt een vroege
zwangerschapsafbreking misschien minder moeilijk, maar dat is niet altijd het
geval. Een latere zwangerschapsafbreking kan u de kans geven bewuster afscheid
te nemen van uw kind. Met andere woorden: als u de keuze hebt tussen een
vlokkentest of een vruchtwaterpunctie, zijn de volgende vragen van belang:
- Hoe denkt u over het tijdstip van de uitslag van het onderzoek en een
eventuele zwangerschapsafbreking als het kind een ernstige aandoening blijkt te
hebben?
-Hoe staat u tegenover het risico van een miskraam van een mogelijk gezond kind
als gevolg van de ingreep? Zoals vermeld is dit risico iets groter bij een
vlokkentest dan bij een vruchtwaterpunctie.
3.4 De rhesus-factor en anti-d
De rhesusfactor is een stof die in het bloed aanwezig kan zijn. Bent u
rhesus-negatief, dan is het mogelijk dat u afweerstoffen maakt tegen
rhesus-positief bloed van de baby, als dat in uw bloed terechtkomt. De baby kan
rhesus-positief bloed hebben als de vader rhesus-positief is.
Tijdens een vlokkentest of een vruchtwaterpunctie kan er wat bloed van de baby
in uw bloed terechtkomen. Vrouwen die rhesus-negatief zijn krijgen daarom na
afloop van de ingreep een injectie (prik) in het bovenbeen of de bil. Het
medicijn dat zo wordt gegeven, heet anti-D. Het verkleint de kans dat u
antistoffen aanmaakt die de baby ziek kunnen maken. Als u zeker weet dat de
vader van uw kind rhesus-negatief is, kunt u met de arts overleggen of de
injectie met anti-D achterwege kan blijven.
3.5 Onderzoek in verband met een neurale-buisdefect
Een open rug of open schedel zijn vrijwel altijd bij echoscopisch onderzoek te
zien. Soms wordt vruchtwateronderzoek gedaan. Bloedonderzoek is minder
betrouwbaar. Met een vlokkentest kunnen deze aandoeningen niet worden
aangetoond.
Echoscopisch onderzoek
Het echoscopisch onderzoek is de laatste jaren sterk verbeterd en een open rug
of open schedel kan steeds nauwkeuriger worden vastgesteld. Grote en ernstige
afwijkingen zijn vaak al bij drie maanden zwangerschapsduur zichtbaar. Met
echoscopisch onderzoek tussen de 16 en 20 weken kunnen ook kleinere
wervelafwijkingen van de rug vastgesteld worden. Dit onderzoek is doorgaans zeer
betrouwbaar.
Vruchtwateronderzoek
Bij elke zwangere komt het eiwit alfafoetoproteïne (AFP) in kleine hoeveelheden
via de urine van het kind in het vruchtwater terecht. Bij een open rug of open
schedel lekt er meer van dit eiwit naar het vruchtwater. De hoeveelheid AFP in
het vruchtwater is daardoor sterk verhoogd.
Bloedonderzoek
Bij een sluitingsdefect is de hoeveelheid AFP in het bloed van de zwangere vaak
(maar niet altijd) verhoogd. Daarom wordt soms naast het echoscopische onderzoek
ook bloedonderzoek gedaan.
Ook wordt AFP in moederlijk bloed wel bepaald als onderdeel van bloedonderzoek
in de vierde maand (triple-test). Dit onderzoek wordt in hoofdstuk 4 beschreven.
Echoscopisch onderzoek en aanvullend een vruchtwaterpunctie
Meestal begint de gynaecoloog met echoscopisch onderzoek. Dit onderzoek toont
over het algemeen zeer betrouwbaar een sluitingsdefect aan. In zeldzame gevallen
worden kleine afwijkingen van de rugwervels niet gezien. Soms wordt aanvullend
vruchtwateronderzoek besproken. Dit gebeurt bijvoorbeeld als de rug moeilijk te
beoordelen is of als er een grote kans op een open rug is. Dit onderzoek brengt
altijd een kleine kans op een miskraam met zich mee. Een gesloten defect -
een open rug waar de huid overheen is gegroeid - kan met vruchtwateronderzoek
niet worden aangetoond.
Ook chromosoomonderzoek?
Achter in deze brochure staat informatie over situaties waarin
vruchtwateronderzoek vergoed wordt. Bij een vruchtwaterpunctie in verband met
onderzoek naar een open rug, vergoedt de verzekering ook chromosoomonderzoek.
Dit gebeurt ook als u geen verhoogde kans hebt op een kind met een
chromosoomafwijking. Of u dit chromosoomonderzoek ook werkelijk wilt laten doen,
is uw beslissing. Uw toestemming is noodzakelijk.
3.6 Uitgebreid echoscopisch onderzoek
Uitgebreid echoscopisch onderzoek om te beoordelen of er sprake is van
aangeboren afwijkingen gebeurt meestal bij een zwangerschapsduur van ongeveer
18-20 weken. Vóór die tijd is het kind te klein. Sommige grote afwijkingen
zoals een niet-aangelegd schedeldak zijn al bij 12-14 weken zichtbaar.
Uitgebreid echoscopisch onderzoek is ook op een later tijdstip van de
zwangerschap mogelijk.
Anders dan bij een gewone echoscopie tijdens de zwangerschap (bijvoorbeeld
om de duur van de zwangerschap vast te stellen) worden bij uitgebreid
echoscopisch onderzoek alle organen van het kind nauwkeurig bekeken. Ook de
ledematen, het hoofd en de romp worden beoordeeld. Het onderzoek duurt ongeveer
een half uur.

Betrouwbaarheid
Vanaf een zwangerschapsduur van 20 weken is uitgebreid echoscopisch onderzoek
een betrouwbare methode om aangeboren afwijkingen vast te stellen. Over het
algemeen is de kans groot dat ernstige aangeboren afwijkingen ook gezien worden.
Toch wordt een enkele keer een afwijking niet opgemerkt. Andere aandoeningen
zoals chromosoomafwijkingen gaan vaak niet gepaard met afwijkingen die zichtbaar
zijn bij uitgebreid echoscopisch onderzoek. Het onderzoek is dan ook nooit een
garantie dat uw kind gezond is.
3.7 navelstrengpunctie
Als bij uitgebreid echoscopisch onderzoek afwijkingen zichtbaar zijn die zouden
kunnen passen bij een chromosoomafwijking, wordt verder onderzoek besproken.
Soms zal dit een navelstrengpunctie zijn. Dit onderzoek is mogelijk vanaf
ongeveer 18 weken. Met een dunne naald zuigt de gynaecoloog wat bloed uit de
navelstreng op. In dit bloed worden de chromosomen onderzocht. De uitslag is
binnen enkele dagen bekend. De gynaecoloog informeert u over de risico's van dit
onderzoek.

4
Testen die aangeven of er een verhoogde kans bestaat op het krijgen van een kind
met het Down-syndroom
Twee onderzoeken kunnen een indruk geven over de kans op een kind met een
chromosoomafwijking. De triple-test - een bloedonderzoek rond de 15e
zwangerschapsweek - geeft een indruk van de kans op een kind met het
Downsyndroom. Een andere naam voor de triple-test is serumscreening. Bij een
grote kans kunt u alsnog een vruchtwaterpunctie overwegen. De test geeft ook aan
of er sprake is van een verhoogde kans op een baby met een open rug. Een open
rug komt echter bij zwangeren op gevorderde leeftijd niet vaker voor dan bij
jongere zwangeren.
Het tweede onderzoek is een echoscopische meting van de dikte van de nekplooi
van de vrucht in de derde maand van de zwangerschap. Momenteel (1999) is deze
nekplooimeting nog geen gangbaar onderzoek in Nederland en is er nog niet zoveel
ervaring mee opgedaan. Ook deze test geeft alleen aan of u een grote of kleine
kans hebt op een kind met het Downsyndroom. Bij een grote kans wordt alsnog een
vlokkentest of vruchtwaterpunctie besproken.
Beide onderzoeken kunnen ten onrechte geruststellen: ook als er geen afwijkingen
schijnen te zijn kan de baby toch een chromosoomafwijking hebben. Ze kunnen ook
ten onrechte alarmeren: de uitslag geeft een verhoogde kans aan, maar na
vervolgonderzoek blijkt er niets aan de hand te zijn.
4.1 de triple-test
Wat is de triple-test?
De triple-test wordt vanaf de 15e zwangerschapsweek verricht. In het bloed van
de moeder wordt de hoeveelheid van bepaalde merkstoffen gemeten. Een van die
stoffen is het eiwit alfafoetoproteïne (AFP).
Bij kinderen met het Downsyndroom is vaak erg weinig AFP in het bloed van de
moeder aanwezig. Uit de hoeveelheid AFP, de twee andere merkstoffen en de
leeftijd van de moeder wordt de kans op een kind met het Downsyndroom berekend.
De precieze duur van de zwangerschap is daarbij van groot belang. De uitslag is
na ongeveer een week bekend. De test voorspelt slechts zelden de kans op een
kind met een andere chromosoomafwijking dan het Downsyndroom. Als er een veel
AFP in het bloed van de moeder aanwezig is, is de kans op een open rug bij de
baby verhoogd.
Wat betekent de uitslag?
Een kans kleiner dan 1 op 250 op een kind met het Downsyndroom wordt beschouwd
als een gunstige uitslag. Deze is vergelijkbaar met die van een vrouw van 36
jaar of jonger. Nader onderzoek wordt dan niet geadviseerd.
Bij een kans groter dan 1 op 250, bijvoorbeeld 1 op 100, brengt de verloskundige
of de arts wel nader onderzoek door middel van een vruchtwaterpunctie ter
sprake.
Hoe betrouwbaar is de test?
Bij een kansberekening wordt het merendeel van de vrouwen terecht gerustgesteld.
Zo zullen van de 300 vrouwen met een kans van 1 op 300 op een kind met het
Downsyndroom er 299 niet in verwachting zijn van een kind met dit syndroom, en
één wel.
Een kansberekening betekent echter ook dat vrouwen ten onrechte gealarmeerd
kunnen worden. Van de 100 vrouwen met een kans van 1 op 100 op het Downsyndroom
zal er slechts één een kind met dit syndroom krijgen, terwijl de andere 99
zich ten onrechte zorgen maken.
Welke rol speelt leeftijd?
Leeftijd is een belangrijke factor: naarmate de leeftijd van de zwangere stijgt,
neemt ook de kans toe op een kind met een chromosoomafwijking zoals het
Downsyndroom. Naarmate de moeder ouder is komt het vaker voor dat de kans boven
de 1 op 250 uitkomt, zoals onderstaande tabel laat zien.
| leeftijd |
<25jr |
25-29jr |
30-34jr |
35-39jr |
40-44jr |
| kans
op uitslag hoger dan 1 op 250 (verhoogde kans) |
2% |
3% |
7% |
20% |
49% |
Leeftijd
is ook van belang bij de vraag of de test goed voorspelt dat het kind het
Downsyndroom heeft. De test voorspelt bij jonge moeders vaker fout dan goed.
Naarmate de leeftijd vordert, wordt de kans op een correcte voorspelling groter.
Dit wordt in onderstaande tabel weergegeven. Van de vier vrouwen tussen de 35 en
39 jaar die in verwachting zijn van een kind met het Downsyndroom, krijgen er
drie als uitslag: een grote kans van meer dan 1 op 250 (verhoogde kans); één
vrouw krijgt als uitslag: een kleine kans van minder dan 1 op 250 (normale
kans).
| leeftijd |
<25jr |
25-29jr |
30-34jr |
35-39jr |
40-44jr |
| kans
op goede voorspelling |
35% |
40% |
54% |
76% |
93% |
Wanneer
kunt u een triple-test overwegen?
Voor vrouwen
van 36 jaar en ouder, die niet het risico van een miskraam als gevolg van een
vlokkentest of een vruchtwaterpunctie willen nemen, kan deze test soms uitkomst
bieden. De wetenschap om niet meer kans dan jongere vrouwen te hebben op een
kind met het Downsyndroom biedt dan voldoende geruststelling.
Op jongere leeftijd is de kans relatief groot dat de test ten onrechte een
geruststellende uitslag heeft.
Van de vrouwen boven de 40 jaar krijgt de helft als uitslag dat ze een kans
hebben van meer dan 1 op 250. Zij kunnen dan alsnog een vruchtwaterpunctie
overwegen.
Wordt
de triple-test met u besproken?
Verloskundige
hulpverleners mogen dit onderzoek niet routinematig aan zwangeren aanbieden.
Daarvoor is een vergunning nodig van de Wet op het Bevolkingsonderzoek (WBO).
Verloskundige hulpverleners hebben deze vergunning niet gekregen. Maar u kunt de
verloskundige, huisarts of gynaecoloog wel vragen om nadere informatie over deze
test.
Wat
zegt de triple-test over de kans op een open rug?
Een verhoogde
hoeveelheid AFP bij een triple-test kan wijzen op een kind met bijvoorbeeld een
open rug, maar een normale hoeveelheid AFP geeft geen zekerheid dat de rug
gesloten is.
Hoe
zit het met de kosten?
Aan het
onderzoek zijn geen kosten verbonden als het bloed wordt opgestuurd naar het
RIVM (Rijks Instituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne). Als de uitslag
van het onderzoek een grote kans (dus meer dan 1 op 250) op een kind met het
Downsyndroom aangeeft, worden ook de kosten voor een vruchtwaterpunctie door de
verzekering vergoed.
4.2.
Meting van de nekplooi
Wat is de nekplooimeting?
De nekplooimeting is een echoscopisch onderzoek. Bij een zwangerschapsduur
tussen de 10 en 14 weken wordt de dikte van de nekplooi van de foetus (de
vrucht) gemeten. In de nek is dan vaak een klein beetje vocht aanwezig. Dit
schilletje vocht is gewoonlijk niet meer dan 3 mm dik.
Wat betekent de uitslag?
Bij een dikkere nekplooi dan gebruikelijk is de kans groter dat het kind een
aangeboren aandoening heeft. Er kan dan sprake zijn van een chromosoomafwijking,
zoals bijvoorbeeld het Downsyndroom. Ook bij bepaalde aangeboren afwijkingen
zoals hartafwijkingen, wordt nogal eens een nekplooi met veel vocht gezien.
Bij een dikkere nekplooi wordt de mogelijkheid van een vlokkentest of
vruchtwaterpunctie besproken.
Hoe betrouwbaar is de test?
Omdat een verdikte nekplooi ook bij gezonde kinderen voorkomt, bestaat altijd de
mogelijkheid van onterechte alarmering. Bij een erg grote vochtschil van
bijvoorbeeld 8 mm is de kans groter dat er iets aan de hand is met de baby dan
als de nekplooi net boven de 3 mm uitkomt.
Bij de meting van de nekplooi kunnen gemakkelijk fouten worden gemaakt. Dat is
een andere reden voor onterechte alarmering. Maar ook kunt u ten onrechte
gerustgesteld worden, zelfs als het onderzoek gedaan wordt door echoscopisten
die veel ervaring hebben met het meten van deze plooi. Ten minste 3% van de
kinderen met een normale nekplooi blijkt toch een chromosoom- of andere
aangeboren afwijking te hebben.
Welke rol speelt de leeftijd?
Net als bij de triple-test is ook bij dit onderzoek de leeftijd van belang.
Chromosoomafwijkingen komen op hogere leeftijd meer voor. De kans op een uitslag
die wijst op een verhoogd risico voor het Downsyndroom, neemt met de leeftijd
toe, op ongeveer dezelfde wijze als beschreven bij de triple-test. Ook de kans
dat de nekplooimeting een juiste voorspelling doet over het risico is
vergelijkbaar met die bij de tripletest.
Wie komt er in aanmerking voor een nekplooimeting?
Momenteel (1999) wordt de nekplooimeting in een aantal ziekenhuizen in Nederland
gedaan als onderdeel van wetenschappelijk onderzoek. In andere ziekenhuizen
wordt dit onderzoek niet gedaan. Net als de triple-test mogen verloskundige
hulpverleners anno 1999 dit onderzoek niet aanbieden aan zwangeren. Daarvoor is
een vergunning nodig van de Wet op het Bevolkingsonderzoek (WBO). Verloskundige
hulpverleners hebben deze vergunning niet gekregen. Maar u kunt de
verloskundige, huisarts of gynaecoloog wel vragen om nadere informatie over deze
test.
Als een verdikte nekplooi gevonden wordt, blijken ziektekostenverzekeraars de
kosten van een vlokkentest of vruchtwaterpunctie te vergoeden.
Vaak wordt bij een gewoon echoscopisch onderzoek vroeg in de zwangerschap
wel even naar de nek gekeken. Dan kan een verdikte nekplooi worden opgemerkt.
Als u hierover niet geïnformeerd wilt worden, is het verstandig dit van te
voren te melden.
5.
Overzichtsschema
De
verschillende onderzoeken vergeleken
|
methode
|
vaginale
vlokkentest
|
vlokkentest
via de buikwand
|
|
tijdstip
ingreep
|
meestal
rond de 11e zwangerschapsweek
|
meestal
rond de 12e zwangerschapsweek
|
|
wanneer
niet geschikt
|
·
bij vaginaal bloedverlies
·
als een neurale-buisdefect wordt gezocht
|
·
bij vaginaal bloedverlies
·
bij een verhoogde kans op een neurale-buisdefect
|
|
welke
aandoeningen zijn vast te stellen
|
·
aandoeningen die berusten op afwijkingen van de chromosomen
·
een aantal stofwisselingsziekten
·
een aantal aandoeningen die berusten op veranderingen in het DNA
|
·
aandoeningen die berusten op afwijkingen van de chromosomen
·
een aantal stofwisselingsziekten
·
een aantal aandoeningen die berusten op veranderingen in het DNA
|
|
wanneer
uitslag
|
binnen
2 weken
|
binnen
2 weken
|
|
wanneer
herhaling of aanvullend onderzoek
|
·
herhaling bij onvoldoende verkregen weefsel
·
bij afwijkende uitslag vaak aanvullend vruchtwaterpunctie nodig
|
·
herhaling bij onvoldoende verkregen weefsel
·
bij afwijkende uitslag vaak aanvullend vruchtwaterpunctie nodig
|
|
risico
van de ingreep zelf
|
·
0,5% als gevolg van de ingreep
·
1 a 2% kans op een foute uitslag door afwijkend placentaweefsel
bij een gezond kind
|
·
0,5% als gevolg van de ingreep
·
1 a 2% kans op een foute uitslag door afwijkend placentaweefsel
bij een gezond kind
|
|
tijdsduur
van de ingreep
|
de
totale ingreep duurt 10-15 minuten
|
prikken
en opzuigen duurt meestal minder dan een minuut
|
|
wat
voelt de vrouw tijdens de ingreep
|
·
soms een menstruatie-achrig of wee gevoel tijdens de ingreep
·
na afloop zeer vaak bloedverlies
|
bewegen
van de naald tijdens het onderzoek geeft een wee en wat pijnlijk gevoel
|
|
|
vruchtwaterpunctie
|
uitgebreid
echo-onderzoek
|
|
tijdstip
ingreep
|
rond
16 weken zwangerschap
|
·
bij 18-20 weken
·
bij enkele aandoeningen als een "open schedel" al bij
12-14 weken
|
|
wanneer
niet geschikt
|
|
wanneer
de aandoening niet met de echo is vast te stellen
|
|
welke
aandoeningen zijn vast te stellen
|
·
aandoeningen die berusten op afwijkingen van de chromosomen
·
neurale-buisdefecten (een open rug of open schedel)
·
een aantal stofwisselingsziekten
·
een aantal aandoeningen die berusten op veranderingen in het DNA
|
·
neurale-buisdefecten
·
aangeboren afwijkingen van o.a.
- skelet
- hart- en vaatstelsel
- urinewegen
- maag-darmstelsel
|
|
wanneer
uitslag
|
na
ongeveer 3 weken
|
direct,
soms aanvullend vlokkentest of vruchtwaterpunctie of navelstrengpunctie
|
|
wanneer
herhaling of aanvullend onderzoek
|
herhaling
als chromosoompatroon niet vastgesteld kan worden
|
soms
aanvullend vruchtwater- of navelstrengpunctie of vlokkentest nodig
|
|
risico
van de ingreep zelf
|
0,3%
als gevolg van de ingreep
|
geen
risico's bekend
|
|
tijdsduur
van de ingreep
|
opzuigen
duurt meestal minder dan een minuut
|
ongeveer
een half uur
|
|
wat
voelt de vrouw tijdens de ingreep
|
de
prik is even pijnlijk, verder geen pijn
|
het
onderzoek geeft geen ongemak
|
in
dit schema is de navelstrengpunctie niet opgenomen, omdat dit onderzoek alleen
in uitzonderingssituaties wordt gebruikt
6.
Afwijkende uitslagen
Prenataal
onderzoek kan op twee manieren een ongunstige uitslag geven: de aandoening
waarnaar onderzoek is gedaan blijkt inderdaad aanwezig te zijn, maar er kan ook
onbverwacht een andere afwijking gevonden worden.
6.1
De onderzochte aandoening is aanwezig bij uw kind
De ongunstige uitslag kunt u mondeling of schriftelijk te horen krijgen. In
beide gevallen komt het slechte nieuws aan als een dreun.
Veel aanstaande ouders laten "voor de zekerheid" prenataal onderzoek
doen. Vrijwel nooit rekent men op een ongunstige uitslag. Reacties van ongeloof
zijn dan ook niet ongewoon, zoals: ze hebben zich toch niet vergist en de
uitslag verwisseld? Of: dit overkomt ons niet, we lieten het onderzoek alleen
voor de zekerheid doen.
Vragen naar het waarom leiden vaak ten onrechte tot schuldgevoelens. De uitslag
wordt dan in verband gebracht met dingen die de zwangere voor haar gevoel had
moeten doen of laten, zoals bijvoorbeeld het drinken van een glas wijn. Vragen
over "hoe en wat nu verder" duiken op. Een periode van definitieve
besluitvorming breekt aan.
Begeleiding
Het duurt vaak een tijdje voor de volle omvang van de boodschap doordringt. Dan
begint de moeilijke fase van de verwerking van het bericht. Veel aanstaande
ouders hebben al voor het onderzoek besloten de zwangerschap bij een ongunstige
uitslag te laten afbreken. Toch krijgen ze na de uitslag vaak weer opnieuw te
maken met de keuze tussen het uitdragen of afbreken van de zwangerschap. Anderen
hebben deze beslissing (al dan niet bewust) voor zich uitgeschoven in de
veronderstelling dat er met hun kind toch niets aan de hand zou zijn. Ook zij
moeten nu de verschillende argumenten tegen elkaar afwegen en tot een definitief
besluit komen.
Deze afweging vraagt tijd en ondersteuning. Gesprekken met de verloskundige, de
huisarts, de gynaecoloog, de klinisch geneticus, leden van een ouder- of patiëntenorganisatie,
de maatschappelijk werker of sociaal verpleegkundige kunnen behulpzaam zijn bij
het nemen van een beslissing. In vele klinisch-genetische centra is het mogelijk
een gesprek te voeren met iemand die uit ervaring weet met welke vragen en
emoties u te maken krijgt. Natuurlijk kunt u zich ook wenden tot een andere
hulpverlener in wie u vertrouwen hebt. Via een ouder- en patiëntenorganisatie
kunt in contact komen met mensen die een soortgelijke situatie meemaakten.
Het is verstandig uw zorgen te bespreken met meerdere mensen, ook met uw
huisarts. Voor het nemen van een besluit is het verstandig dat één
hulpverlener u begeleidt om de verschillende argumenten tegen elkaar af te
wegen. Betrokkenheid van te veel hulpverleners bij de besluitvorming maakt een
beslissing vaak moeilijker.
De uiteindelijke beslissing moet in vrijheid worden genomen. Daarbij is er wel
een zekere tijdsdruk in verband met de wettelijke termijn (24 weken) waarbinnen
zwangerschapsafbreking is toegestaan. Als eenmaal kindsbewegingen worden
gevoeld, is het afbreken van de zwangerschap emotioneel nog extra moeilijk.
Afbreken
van de zwangerschap
Mocht u besluiten de zwangerschap te laten afbreken, dan is de methode
afhankelijk van de duur van de zwangerschap.
Tot een zwangerschapsduur van ongeveer 13 weken wordt de baarmoeder met een
slangetje leeggezogen. Dit wordt een vacuüm-curettage genoemd. De ingreep vindt
plaats onder narcose of plaatselijke verdoving; de gynaecoloog geeft u meer
informatie. In een enkel ziekenhuis wordt een curettage ook uitgevoerd bij een
zwangerschap die enkele weken verder gevorderd is.
Na ongeveer 13 weken is afbreken van de zwangerschap meestal alleen mogelijk
door het voortijdig opwekken van weeën. Vaak gebeurt dit door een infuus met
bepaalde hormonen (prostaglandinen). Na zo'n 24-48 uur komen dan de weeën op
gang en wordt het kind geboren; bijna altijd is het kind dan overleden. Als u
erom vraagt kunt u altijd iets tegen de pijn krijgen. De moederkoek moet na
afloop nogal eens onder narcose worden verwijderd.
De baarmoeder wordt door een zwangerschapsafbreking niet beschadigd. Er zijn dus
geen gevolgen voor een nieuwe zwangerschap.
Het afbreken van een gewenste zwangerschap is een ingrijpende gebeurtenis. Het
afscheid van het kind roept verwarrende gevoelens op: wie ben ik dat ik mag
beslissen om dit kind niet geboren te laten worden? De ouders moeten op hun
eigen manier verder kunnen leven met hun beslissing en de herinnering aan dit
kind.
Daarnaast zijn er vele andere vragen: waarom hebben juist wij een kind met een
handicap gekregen? Ook ouders met een levend geboren kind met een ernstige
aandoening hebben deze gevoelens.
Het rouwproces dat volgt op het afbreken van een gewenste zwangerschap lijkt in
veel opzichten op de rouwverwerking in andere verliessituaties. Dit proces heeft
tijd nodig en kan soms maanden duren. Vaak is begeleiding zinvol.
Uitdragen
van de zwangerschap
Ook wanneer men kiest voor het uitdragen van de zwangerschap is er begeleiding
beschikbaar. Daarbij staan de wensen van de aanstaande ouders zoveel mogelijk
centraal. Vaak is het zinvol al tijdens de zwangerschap contact te leggen met
een specifieke ouder- of patiëntenvereniging. Meer informatie daarover vindt u
achterin deze brochure. Bovendien is het goed in deze situatie ook rekening te
houden met de mogelijkheid dat de zwangerschap alsnog spontaan misgaat als
gevolg van een late miskraam.
6.2
Onverwachte bevindingen
Met enige regelmaat komen "onverwachte bevindingen" aan het licht bij
het bekijken van chromosomen. Onderzoek naar bijvoorbeeld de aanwezigheid van
het Downsyndroom toont dan geen extra chromosoom 21 aan, maar een van de andere
chromosomen blijkt wel afwijkend te zijn. Dit is een lastige situatie die vaak
zorgt voor veel onzekerheid en ongerustheid. Het is niet altijd mogelijk aan te
geven wat de gevolgen zullen zijn voor de latere ontwikkeling van het kind. De
arts zal deze bevindingen met u bespreken, tenzij u van te voren aangeeft deze
niet te willen horen.
Soms wordt een chromosoomafwijking vastgesteld, waarbij met spoed onderzoek van
de chromosomen van de aanstaande ouders zelf geadviseerd wordt. Bij de baby
kunnen bijvoorbeeld delen van twee chromosomen zijn verwisseld; dit wordt een
translocatie genoemd. Als de hoeveelheid erfelijk materiaal niet is veranderd,
en als dezelfde afwijking aanwezig is in de chromosomen van een van de ouders,
zijn er waarschijnlijk geen gevolgen voor het kind.
De betekenis van een chromosoomafwijking kan ook onduidelijk zijn. Dat betekent
dat u de beslissing over het uitdragen of afbreken van de zwangerschap soms op
onzekere gronden moet nemen. Dit is een uiterst moeilijke situatie.
7.
De gang van zaken in de praktijk
7.1 verwijzing
Voor prenatale diagnostiek is een verwijzing van uw huisarts, verloskundige of
gynaecoloog nodig. Het onderzoek gebeurt in een academisch ziekenhuis of een
groter ziekenhuis dat hiermee samenwerkt. De verschillende onderzoeken zoals een
vlokkentest, een vruchtwaterpunctie of een uitgebreid echoscopisch onderzoek
vinden plaats op de polikliniek of de afdeling verloskunde. Medewerkers van de
afdeling klinische genetica beoordelen de chromosomen uit de vlokken of het
vruchtwater.
De verwijzende verloskundige, huisarts of gynaecoloog informeert u hoe u zich
kunt aanmelden. Telefoonnummers vindt u achterin deze brochure.
7.2
voorbereiding op het onderzoek
De procedures verschillen in elk ziekenhuis. Soms vindt het prenataal onderzoek
plaats bij het eerste bezoek, in andere ziekenhuizen bestaat het eerste bezoek
uit een gesprek en eventueel een echoscopisch onderzoek. U kunt naar de gang van
zaken vragen als u een afspraak maakt. Schrijf uw vragen van te voren op. De
uitleg die u krijgt geeft vaak een antwoord op een deel van uw vragen. Aarzel
niet de resterende vragen te stellen. Het is belangrijk dat u goed geïnformeerd
wordt. U kunt altijd om een (extra) gesprek vragen.
7.3 Afspraken over wat er bepaald wordt en welke uitslagen u wilt horen
Bij vruchtwateronderzoek naar een chromosoomafwijking kan ook de hoeveelheid AFP
bepaald worden. Een grote hoeveelheid AFP komt voor bij afwijkingen als een open
rug. Omgekeerd kan bij vruchtwateronderzoek in verband met de kans op een open
rug ook chromosoomonderzoek plaatsvinden. Het is verstandig van te voren te
bespreken welke onderzoeken zullen plaatsvinden. Bij chromosoomonderzoek wordt
het geslacht altijd bepaald. Als u wilt dat dit een verrassing blijft, is het
verstandig dat duidelijk kenbaar te maken aan de arts die het onderzoek doet en
aan degene die uw zwangerschap controleert. Deze laatste krijgt de uitslag,
waarin meestal ook het geslacht vermeld staat, schriftelijk toegestuurd.
7.4 Hoe hoort u de uitslag?
De uitslag van een vlokkentest of vruchtwaterpunctie wordt schriftelijk of
telefonisch meegedeeld. Van te voren wordt besproken hoe u de uitslag hoort. Als
de uitslag ongunstig is krijgt u over het algemeen zo snel mogelijk een afspraak
voor een gesprek. Dit kan een gesprek zijn met de verwijzende verloskundige of
arts, of met een arts die bij het onderzoek betrokken was. De uitslag van een
triple-test hoort u over het algemeen van degene die uw zwangerschap
controleert.
7.5 Kosten
Prenatale diagnostiek wordt alleen vergoed als er sprake is van een van de
redenen (indicaties) die in het overzicht achterin deze brochure genoemd worden.
Voor particulier verzekerden is het verstandig de polisvoorwaarden na te lezen.
8.
Tot slot
Als u voor-
en nadelen van prenatale diagnostiek tegen elkaar afweegt, komen vaak heel
ongelijksoortige dingen op de weegschaal terecht. De kans op een kind met een
chromosoomafwijking moet worden afgewogen tegen een ongeveer even grote kans op
een miskraam als gevolg van een ingreep.
Uw levensvisie en uw voorgeschiedenis zullen uw uiteindelijke keuze meebepalen.
Het kan van belang zijn of u al dan niet al gezonde kinderen hebt, of dat u lang
op deze zwangerschap hebt moeten wachten.
Beslissingen groeien meestal in een samenspel van gevoel en verstand. Daarom is
de keuze voor prenatale diagnostiek altijd alleen een beslissing van de
aanstaande ouders zelf. Dit geldt ook voor de beslissing wat te doen bij een
ongunstige uitslag. U kunt dat alleen verantwoord doen op grond van goede en
eerlijke informatie. Met deze brochure proberen wij daaraan een bijdrage te
leveren.
Wij nodigen u uit om uw commentaar op de inhoud van deze brochure aan de VSOP en
de NVOG door te geven. Zo kan de VSOP haar rol van informatiebron over
erfelijkheid en aangeboren aandoeningen nog beter vervullen en kunnen
hulpverleners u nog beter voorlichten.
VSOP,
Vredehofstraat 31, 3761 HA Soestdijk
Telefoon: 035-6028155
E-mail: vsop@knoware.nl
Homepage: http://www.vsop.nl
NVOG, Commissie Patiëntenvoorlichting, Postbus 20061, 3502 LB Utrecht
Email: nvog@xs4all.nl
Homepage: http://www.nvog.nl, rubriek patiëntenvoorlichting
9.
Indicaties (redenen) voor prenatale diagnostiek die door de zorgverzekeraars
worden vergoed
9.1
indicaties voor prenataal chromosoomonderzoek
Chromosomen zijn de dragers van het erfelijkheidsmateriaal. Ze bevinden zich in
de kernen van cellen van het kind. Bij chromosoomonderzoek wordt nagegaan of het
aantal chromosomen in de celkernen normaal is, namelijk 46. Ook wordt beoordeeld
of de vorm van de chromosomen normaal is.
De aanstaande moeder is in de achttiende zwangerschapsweek 36 jaar of
ouder.
Bij de aanstaande moeder is al placentaweefsel (chorionvlokken) of
vruchtwater afgenomen, bijvoorbeeld in verband met een AFP-bepaling. Met
instemming van de aanstaande ouders kunnen ook de chromosomen in de vlokken of
in de cellen uit het vruchtwater worden onderzocht.
Een van de aanstaande ouders is drager van een chromosoomafwijking.
Een echo-onderzoek heeft aanwijzingen gegeven dat het kind mogelijk een
aandoening heeft die op een chromosoomafwijking zou kunnen berusten.
Er is vastgesteld dat een eerder kind van de aanstaande ouders een
chromosoomafwijking heeft of had (als het kind overleden is). Ook wanneer na een
miskraam vanaf de 16e zwangerschapsweek is gebleken dat de foetus een
chromosoomafwijking had, is er bij een volgende zwangerschap een indicatie voor
chromosoomonderzoek.
Bij een eerdere zwangerschap van de aanstaande moeder bleek na prenataal
chromosoomonderzoek dat het kind een chromosoomafwijking had.
De uitslag van bloedonderzoek van de zwangere (de triple-test) is
afwijkend.
9.2 Indicaties voor prenataal DNA-onderzoek
DNA is de chemische stof waaruit chromosomen zijn opgebouwd. Bij bepaalde
erfelijke aandoeningen zijn afwijkingen in het DNA aan te tonen. Voor
DNA-onderzoek is een vlokkentest of vruchtwaterpunctie noodzakelijk.
Er is een verhoogde kans op een erfelijke aandoening die door DNA-onderzoek is
aan te tonen. Bij een aantal spierziekten zoals de ziekte van Duchenne, spinale
spieratrofie en myotone dystrofie is DNA-onderzoek mogelijk. Andere voorbeelden
zijn taaislijmziekte (kystische fibrose of cystic fibrosis) en het fragiele
X-syndroom.
Voor een deel gaat het om geslachtsgebonden aandoeningen waarbij bijvoorbeeld
alleen jongens zijn aangedaan. Dan zal chromosoomonderzoek eerst uitwijzen welk
geslacht de foetus (de vrucht) heeft. Zonen van een draagster van een
geslachtsgebonden aandoening hebben 50% kans om de betreffende aandoening te
krijgen. Voor een beperkt aantal aandoeningen kan daarna DNA-onderzoek aantonen
of het mannelijk embryo de aandoening wel of niet heeft. Blijkt uit
chromosoomonderzoek dat de moeder in verwachting is van een meisje, dan is nader
DNA-onderzoek niet noodzakelijk. Dochters kunnen hooguit draagster worden. Zij
hebben over het algemeen geen ernstige ziekteverschijnselen.
9.3 indicaties voor prenataal onderzoek naar een erfelijke
stofwisselingsziekte
Bij erfelijke stofwisselingsziekten kan biochemisch onderzoek plaatsvinden. Eén
stapje van de stofwisseling in cellen wordt dan onderzocht. Hiervoor is vrijwel
altijd een vlokkentest of vruchtwaterpunctie noodzakelijk.
De aanstaande ouders hebben (meestal) eerder een kind gekregen met een erfelijke
stofwisselingsziekte. Onderzoek bij het betrokken kind kan aantonen om welke
specifieke afwijking het gaat. In een volgende zwangerschap kan dan naar die
specifieke afwijking gezocht worden.
9.4 indicaties voor onderzoek naar een neurale-buisdefect (een open rug of
open schedel)
Bij een verhoogde kans op een neurale-buisdefect zijn twee onderzoeken mogelijk:
uitgebreid echoscopisch onderzoek
bepaling van de hoeveelheid AFP in het vruchtwater.
Veelal wordt gestart met uitgebreid echoscopisch onderzoek. Zo nodig vindt
aanvullend vruchtwateronderzoek plaats.
- De aanstaande ouders kregen al eerder een kind met een neurale-buisdefect.
De aanstaande vader of moeder heeft zelf een neurale-buisdefect.
Een broer of zuster van de aanstaande moeder of vader werd geboren met een
neurale-buisdefect.
De aanstaande moeder gebruikt tijdens haar zwangerschap geneesmiddelen
waarvan bekend is of waarvan vermoed wordt, dat zij een neurale-buisdefect
kunnen veroorzaken. Dit geldt in het bijzonder voor een aantal anti-epileptica.
De aanstaande moeder heeft al vóór de zwangerschap suikerziekte.
In de nabije familie van de aanstaande ouders hebben meerdere personen een
neurale-buisdefect.
Na een "gewoon" echoscopisch onderzoek zijn er aanwijzingen dat
het kind een neurale-buisdefect zou kunnen hebben.
Er is al vruchtwater afgenomen vanwege onderzoek dat zich niet op een
neurale-buisdefect richtte. Met instemming van de ouders kan in het vruchtwater
ook het AFP-gehalte worden gemeten.
Er is een verhoogde concentratie AFP in het bloed van de moeder aangetoond
(bijvoorbeeld bij de triple-test).
9.5 indicaties voor uitgebreid echoscopisch onderzoek
Bij uitgebreid echoscopisch onderzoek worden alle organen van het kind
nauwkeurig bekeken. Ook de ledematen, het hoofd en de romp worden beoordeeld.
Het onderzoek vindt plaats rond 18-20 weken zwangerschapsduur en duurt ongeveer
een half uur.
Reeds vóór de zwangerschap is bekend dat het kind een verhoogde kans heeft
op een bepaalde aangeboren aandoening die met behulp van uitgebreid echoscopisch
onderzoek is vast te stellen.
Verloskundige controles of "gewoon" echoscopisch onderzoek hebben
aanwijzingen gegeven dat het kind één of meer aandoeningen zou kunnen hebben
die met behulp van uitgebreid echoscopisch onderzoek vastgesteld kunnen worden.
10.
Adressen
10.1 De
VSOP
De Vereniging Samenwerkende Ouder- en Patiëntenorganisaties betrokken bij
erfelijke en/of aangeboren aandoeningen is een samenwerkingsverband van vijftig
organisaties. De ouders en patiënten die bij deze organisaties zijn aangesloten
weten uit eigen ervaring hoe belangrijk het is om op tijd over betrouwbare
informatie te kunnen beschikken. Het bereikbaar maken van beschikbare informatie
over de preventie van en opvang en begeleiding bij aangeboren aandoeningen is
dan ook een belangrijk streven van de VSOP.
Belt u dus gerust wanneer u vragen hebt over erfelijkheid, aangeboren
aandoeningen en lotgenotencontact.
Ook wanneer u meer wilt lezen over het onderwerp van deze brochure, kan de VSOP
u informeren.
Voor adressen en telefoonnummers van patiënten- en ouderverenigingen die
betrokken zijn bij aangeboren of erfelijke aandoeningen:
ERFO-lijn 035-6028555.
Ook voor vragen over erfelijkheid, aangeboren aandoeningen en lotgenotencontact.
VSOP, Vredehofstraat 31, 3761 HA Soestdijk.
Telefoon secretariaat 035-6028155,
ERFO-lijn 035-6028555 (op werkdagen tussen 10.00 en 16.00 uur), fax 035-6027440.
E-mail: VSOP@KNOWARE.NL
website: http://www.vsop.nl
Postbank 343438; ING-bank 657515450
De VSOP wordt gevormd door de hieronder vermelde organisaties. Zij zijn alle
betrokken bij erfelijke en/of aangeboren aandoeningen. De telefoonnummers en
adressen van de lidorganisaties zijn op te vragen via de ERFO-lijn. Kijk voor
e-mail adressen en internet-pagina's op de website van de VSOP.
ADCA-Vereniging
Nederland
- Stichting
voor Afweerstoornissen (SAS)
- Nederlandse
Vereniging voor het Hereditair Angio-Oedeem en Quincke's Oedeem (HAE en QE)
- Vereniging
Anusatresie NVA
- Nederlandse
Vereniging voor Autisme voor mensen met een aandoening uit het spectrum van
autistische stoornissen
- Belangenvereniging
syndroom van Beckwith-Wiedemann
- Nederlandse
Vereniging van Blinden en Slechtzienden
- Stichting
Bloedlink, patiëntenorganisatie erfelijke hart- en vaatziekten
- BOSK
- Vereniging van Motorisch Gehandicapten en hun Ouders
- Nederlandse
Coeliakie Vereniging (NCV)
- Nederlandse
Cystic Fibrosis Stichting (NCFS)
- Stichting
Darier Patiënten DEBRA Nederland
- Stichting
Down's Syndroom
- Vereniging
van Ehlers-Danlos Patiënten (VED)
- Epilepsie
Vereniging Nederland
- Vereniging
van Patiënten met Erythropoëtische Protoporphyrie
- FODOK
- Nederlandse Federatie van Organisaties van Ouders van Dove Kinderen
- FOSS
- Nederlandse Federatie van Ouders van Slechthorende Kinderen en van
Kinderen met Spraak- en Taalmoeilijkheden
- FOVIG
- Federatie van Organisaties van Ouders van Visueel Gehandicapten
- Gaucher
Vereniging Nederland
- HAND-vereniging
- Nederlandse
Vereniging van Hemofilie Patiënten (NVHP)
- Stichting
Hernia Diafragmatica
- Vereniging
aangeboren Heupafwijkingen
- Belangenvereniging
Von Hippel-Lindau
- Vereniging
Ziekte van Hirschsprung
- Vereniging
van Huntington (VvH)
- Belangenvereniging
Van Kleine Mensen (BVKM)
- Nederlandse
Klinefelter Vereniging
- Stichting
Klippel-Trénaunay Nederland (SKTN)
- Vereniging
Oudergroep Klompvoetjes
- LAPOSA
Landelijke Patiënten- en Oudervereniging voor Schedel- en
Aangezichtsafwijkingen
- Nationale
Vereniging L.E. Patiënten
- Contactgroep
Marfan
- Belangengroep
M.E.N.
- Vereniging
Morquio
- Vereniging
Osteogenesis Imperfecta (VOI)
- Nederlandse
Phenylketonurie Vereniging
- Prader
Willi/Angelman Vereniging
- Stichting
Primaire Ciliaire Dyskinesia Belangengroep
- Nederlandse
Bond van Psoriasis Patiëntenverenigingen (NBPV)
- Vereniging
Ziekte van Von Recklinghausen Nederland
- Retinitis
Pigmentosa Vereniging Nederland
- Vereniging
Ouders van Kinderen met Slokdarmafsluiting
- Vereniging
Spierziekten Nederland (VSN)
- Vereniging
voor Kinderen met Stofwisselingsziekten Stichting Tubereuze Sclerosis
Nederland (STSN)
- Friedrich
Wegener Stichting
10.2
Centra voor prenatale diagnostiek
In onderstaand overzicht worden telefoonnummers weergegeven van de academische
ziekenhuizen en de daarmee samenwerkende ziekenhuizen waar prenatale diagnostiek
verricht wordt.
Amsterdam AMC
Poli prenatale diagnostiek
020-5664499
Klinische genetica
020-5665110/5665281
Amsterdam AZVU
Poli prenatale diagnostiek
020-4443234
Klinische genetica
020-4440150
Groningen
Poli antenatale diagnostiek
050-3613028
Klinische genetica
050-3632929/3632942
Zwolle, Isala-klinieken
(lokatie Weezenlanden)
Poli antenatale diagnostiek
038-4242719
Leiden
Poli prenatale diagnostiek
071-5261706
Klinische Genetica
071-5268033
Maastricht
Poli prenatale diagnostiek
043-3877855
Klinische genetica
043-3875855
Eindhoven
Diagnostisch Centrum
040-2141135
Nijmegen
Poli prenatale diagnostiek
024-3613700
Klinische genetica
024-3613946
Arnhem, Rijnstate Ziekenhuis
Poli prenatale diagnostiek
026-3787778
Rotterdam
Poli prenatale diagnostiek
010-4633917
Klinische genetica
010-4636915
Dordrecht, Merwedeziekenhuis
Poli prenatale diagnostiek
078-6523325
Utrecht
Poli prenatale diagnostiek
030-2508880
Centrum voor Medische Genetica
030-2503800
Enschede, Medisch Spectrum Twente
Poli prenatale diagnostiek
053-4872330
10.3
Hulp en advies
Over mogelijkheden van psychosociale hulpverlening via één van de klinisch
genetische centra, kunt u informatie vragen bij de psychosociale medewerkers
aldaar.
De VSOP kan u adressen geven voor pastorale zorg.
Federatie van Ouderverenigingen
Postbus 85276, 3508 AG Utrecht,
telefoon 030-2363767
Website: http://www.fvo.nl
De Federatie van Ouderverenigingen is het samenwerkingsverband van verenigingen
van ouders van kinderen en volwassenen met een verstandelijke handicap. De
Federatie geeft informatie over tal van aandoeningen en onderwerpen. Ook brengt
zij ouders die dat wensen met andere ouders in contact.
Stichting Downs Syndroom (SDS)
Bovenboerseweg 41, 7946 AL Wanneperveen
telefoon 0522-281337
Website: http://www.downsyndroom.org
De SDS werd in 1988 opgericht door ouders van jonge kinderen met Downsyndroom.
De organisatie verzamelt kennis, geeft informatie en organiseert
lotgenotencontact. Ze wil de ontwikkeling en ontplooiing van kinderen en
volwassenen met Downsyndroom bevorderen. Normalisatie en integratie zijn daarbij
kernbegrippen.
Stichting Dilemma
Postbus 20070, 3502 LB Utrecht
telefoon 030-2871900
Dilemma is een onafhankelijke stichting. Zij beschikt over een netwerk van
deskundigen, waar ouders en hulpverleners terecht kunnen met vragen en problemen
rondom leven en dood van ernstig gehandicapte pasgeborenen en ongeborenen met
ernstige aandoeningen.
Kenniscentrum de Ster
Postbus 1840, 1001 ZA Amsterdam
tel 020-4234170
De Ster is opgericht door de Stichting Perinatale Zorg en Consumenten. Deze
telefonische informatielijn functioneert als een landelijk en onafhankelijk
steunpunt voor (aanstaande) ouders met vragen rond over zorg rond de geboorte.
11.
Om verder te lezen
H.G.van
Spijker en B.A.W.Rozendal. Er is iets met uw baby. Over de consequenties
van ongunstige uitslagen van onderzoek tijdens de zwangerschap. Verkrijgbaar bij
klinisch-genetische centra in Utrecht en Nijmegen. 1996. Kosten 3,-.
ISBN: 90-9009292-7.
M.F.Niermeijer, Liefst gezond, 115 vragen over erfelijke en aangeboren
aandoeningen. Verkrijgbaar bij de VSOP. Kosten 7,50.
ISBN: 90-501828-1.
Echoscopisch onderzoek tijdens de zwangerschap.
Voorlichtingsfolder van de NVOG, KNOV, en LHV.
Te verkrijgen bij uw gynaecoloog, verloskundige en de huisarts.
Het belang van foliumzuur voor en tijdens de zwangerschap.
Gemeenschappelijke uitgave van het Voorlichtingsbureau voor de Voeding, de VSOP
en de Landelijke Vereniging voor GGD'en. Te bestellen bij het Voedingscentrum
(telefoon 070-30 688 10) en de VSOP.
In de serie VSOP-brochures rond kinderwens en zwangerschap zijn naast deze
brochure verschenen:
·
Voor een zwangerschap,informatie voor mensen die kinderen wensen
·
Erfelijkheidsvoorlichting, wanneer, waar en hoe?
·
Prenatale diagnostiek als u 36 jaar of ouder bent, mogelijkheden en
overwegingen
·
Als u weet dat u een baby met een aandoening krijgt. Informatie
voor ouders die na afwijkende diagnostiek de komst van hun kind voorbereiden.
In de serie VSOP-brochures rond het thema "tijdig weten" zijn o.a.
verschenen:
·
Wat je van erfelijkheid moet weten voor je (weer) aan kinderen denkt
·
Een leven lang, over vroegtijdige onderkenning van aangeboren en
erfelijke aandoeningen. Een brochure over verschillende vormen van
erfelijkheidsonderzoek, omgaan met kennis over erfelijkheid en toekomstige
ontwikkelingen rond erfelijkheidsonderzoek
·
Samenspel tussen genen en omgeving, over multifactoriële aandoeningen
·
Obductie, een onderzoek na overlijden
Voor een overzicht van alle VSOP-publicaties kunt u de website van de VSOP
raadplegen of de Erfo-lijn bellen: 035-6028555
Prenatale
diagnostiek bij aangeboren of erfelijke aandoeningen
Mogelijkheden en overwegingen
© 1999 VSOP en NVOG
Het copyright en de verantwoordelijkheid voor de inhoud van deze brochure
berusten bij de Vereniging Samenwerkende Ouder- en Patiëntenorganisaties (VSOP)
in Soestdijk en de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG)
in Utrecht.
Deze brochure is herzien door de Commissie Patiëntenvoorlichting van de NVOG en
goedgekeurd door de Inspectie Gezondheidszorg (IGZ), de Vereniging Klinische
Genetica Nederland (VKGN) en de Koninklijke Nederlandse Vereniging van
Verloskundigen (KNOV). Ook de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) en het
Nederlands Genootschap (NHG) hebben de brochure beoordeeld
Leden van de VSOP, de NVOG, de VKGN, de KNOV, de LHV en het NHG mogen deze
brochure zonder toestemming vermenigvuldigen, mits zij dat integraal, onverkort
en met bronvermelding doen.
Een deel van de tekst van deze brochure komt terug in de brochure Prenatale
diagnostiek als u 36 jaar of ouder bent, mogelijkheden en overwegingen.
Auteur: prof.dr.N.J.Leschot
Redacteur: dr.G.Kleiverda
Bureauredacteur: Jet Quadekker
Derde, herziene druk, Soestdijk/Utrecht 1999.
De Vereniging Samenwerkende Ouder- en Patiëntenorganisaties betrokken bij
erfelijke en of aangeboren aandoeningen, is een samenwerkingsverband van vijftig
organisaties.
Deze brochure is uitgegeven in het kader van de campagne Verwachtingen van
de VSOP. Deze campagne kwam tot stand mede dankzij Zorgonderzoek Nederland.
Meer informatie over zwangerschap, erfelijkheid en aangeboren aandoeningen is te
vinden op de homepage van de VSOP: http://www.vsop.nl.
De inhoud van deze brochure is tot stand gekomen na een zorgvuldig
kwaliteitstraject begeleid door de Commissie Patiëntenvoorlichting van de NVOG.
Als non-profit-instelling legt zij zich toe op het formuleren en ontwerpen van
kwalitatief hoogwaardige voorlichting.
Andere folders en brochures op het gebied van de verloskunde, de gynaecologie en
de voortplantingsgeneeskunde zijn te lezen op de homepage van de NVOG:
http://www.nvog.nl, rubriek voorlichting.
|